alle wegen leiden naar rome  
(ook de goedkoopste)
...met Anitra in Rome
/td>
Onderstaande reiskrabbels werden verzameld door onze reporter terwijl hij al liftend een goed stuk van Europa doortrok.
Dankzij zijn nauwe relaties met een autobusuitbater en de vriendelijkheid van menig autobestuurder kon hij de kosten tot een minimum herleiden.Hoe hij dat klaar speelde lees je hieronder in zijn verhaal dat ons van Noord naar Zuid Europa brengt..
* * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *
Het was zowat begin augustus als onze bus de "Koningin der badsteden" verliet.  We  gleden  langs  de drukke  jachthaven, waar enkele sierlijke scheepjes de zonovergoten zee met  bolle zeilen aansneden. Net zoals wij : op zoek naar onbekende horizonten.

Engelse Ladies en Duitse Polizei

Aan mijn linker zijde was een Engelse lady gezeten, aan mijn rechter nóg een Engelse lady, maar dan drie jaar jonger. Een huiswaarts kerende autocar schoot ons voorbij, groetend met zijn knipperende kruislichten. Behaaglijk doorkroop me een loom gevoel wanneer ik wat dieper in de kussens leunde...
Ik schoot wakker en we stonden voor de Duitse grens. Het weer was drukkend en een lucht, zwaar geladen met zoete houtgeuren, kwam uit de boskant aanvlotten. Zo  roerloos als de bomen erbij stonden, zo druk hadden het de douaniers :
"Wo gehen Sie", lachte er me eentje toe.
"Nach Romen", antwoordde ik schouderophalend om toch maar iets te noemen.
En terwijl de man zich even profijtig over de stoppelige kin wreef, meende ik een vonkje afgunst in zijn ogen te zien. Even maar, want reeds doezelden de groene uniformen doorheen de schoferige achterruit. "Stuttgart Restatte" stond er op het grote bord langsheen de autosnelweg. Dat betekende voor mij dan ook het afscheid aan de makkelijke bus. Ietwat opgewonden - altijd als ik Engels moet praten - belandden, eerst mijn minieme bagage en dan ikzelf, op het dikke beton.
En nu maar duimen, duimen en duimen. Tot even plots als onverwacht een groen-witte-Mercedes afremde. Ik zette het met mijn bungelende rugzak op een holletje, maar voor ik de kans kreeg om met een netjes van buiten geleerd zinnetje mijn popelende verwachtingen te uiten, bleven mijn ogen haken aan een woord dat wit tegen de zijdeur stond opgeschilderd : POLIZEI.
De grijnzende snuiter aan het raampje vertelde mij zonder veel omhaal dat liften hier "ferboten" was en dat hij daarom vijf Mark van mij verwachtte. In zo'n geval is het best om je op slag geen enkel woord Duits meer te herinneren. Wat ik ook prompt deed. Dus begon de man met de kepie opnieuw. En dan nog eens, zonder kepie. Zelden heb ik een politieman zoveel geduld weten opbrengen aan een geval dat duidelijk hopeloos was. In een ultieme poging om mijn deviezen binnen te halen begon hij langzaam op de vingers af te tellen :
"Ein...Zwei..Drei..."
"Saufen", viel ik hem entoesiast en smakkend bij !
Met de schrik om het hart zag ik hoe de verbijstering zich op het gezicht naast de drie geheven vingers afschilderde. Eén ogenblik maar, want toen brak hij los in een barstende, brullende lach, waarbij hij me nog net duidelijk kon maken dat ik maar moest einsteigen.

Duimen maar...

Een paar kilometer verder dropte hij  me  op  een plekje waar  men wél kon liften. Op het plekje in kwestie, dat slechts een vier meter lang was, verdrongen zich een twintigtal toeristen die allen dezelfde bezigheid bleken te hebben : duimen.  De  illustere rij autostop-  pers werd geopend door twee  opgeschoten  kerels  met een  bengelend bordje om de hals : zwei Studenten.   Toen  ik me tussen het rijtje drumde braken de duivels pas goed los :
 " Nou, wat is jou nationaliteit ?"
 " Mais parblue, c'est un petit Belge !"
Ja, vrolijk ging het er  wel  aan  toe,  voor  zover  er tenminste geen wagen stopte.  Dan  werd  het een geduw van belang en voelde men aan de lijve de dringende noodzaak van een verenigd Europa.
Lieve Margot uit Parijs en Hollandse buren
 
Het wachten werd echter in niet geringe mate veraangenaamd door de lieve Margot, die net naast me stond.  Ze kwam regelrecht uit Parijs, informeerde tussendoor vriendelijk  naar mijn mening over het Vreemdelingenlegioen, om dan plots te verklaren dat ze honger had. En wat doet een gentleman  in zo'n geval. Vooral als hij er zich terdege van bewust is dat er nog vier verse sandwiches in zijn rugzak steken...
Dat Margot vriendelijk was, vermelde ik reeds, maar zo begrijp je wellicht iets beter dat ze me na een kwartiertje de overgebleven halve sandwich presenteerde en geïnteresseerd informeerde of ik soms óók honger had. Toch heb ik me die broodjes niet beklaagd. Want even later loodste ze me op de achterbank van een limousine , waarvan de grijsharige bestuurde graag bereid was Margot mee te nemen, en desnoods ook mij naar Stuttgart te brengen.
Ik was meer dan tevreden om tenslotte vóór het aanbreken van de nacht in de Stuttgart-Camping te belanden, waar ik doodop in mijn eenmanstentje en een bodemloze slaap onderdook. Zo dacht ik tenminste. Want dat was zonder mijn buren gerekend die voor een balorige bodem aan mijn slaap zorgden. Het betrof hier een vriendelijke Hollandse familie, compleet tot en met dochter-met-vriend, en die bliezen op een onmogelijk uur de "réveille". Dat ging gepaard met een reeks aardschokken en nog luidruchtiger toestanden zoals de kleinste telg die het bestond om met een afschuwelijk accent boven het getater uit te kwelen : "Dors mon amour"...
Het zou onrechtvaardig zijn zijn te beweren dat zo'n officiële camping me is tegengevallen, verre daarvan. Afgezien van het doorgedreven komfort (lopend water, douches, verkoopstalletjes, sanitaire hokjes) is het buitengewoon leerrijk om ook de meest verscheidene nationaliteiten elkaar voor de voeten te zien lopen : Tunesiërs, Chinezen, Hindoes, Zuid-Amerikanen en ja zelfs doodgewone Europeanen kwamen hier hun tenten opslaan.

Pane, amore e fantasia

Wat het bezoek aan Stuttgart en de verdere bezienswaardigheden van mijn reis over Oostenrijk naar Italië betreft (ik werd weer door een bevriende bus opgepikt) ben ik ervan overtuigd dat je in elke degelijke reisgids of vervelende cursus aardrijkskunde al de nodige détails kan vinden.
Een stuk spannender was de wijze waarop ik Italië ben binnengesmokkeld. Een ideetje van onze buschauffeur. Het zou trouwens zijn laatste niet zijn. Maar hierover later meer.
Even vóór de Italiaanse grens nam ik roerend afscheid van de busgenoten, mijn bagage evenwel veilig in de bus latend, trok ik te voet de grens over. De Italiaanse douanier knikte me welwillend toe, in de mening dat ik maar even een taliaans luchtje wou scheppen. Maar tweehonderd meter verder stapte ik terug op de bus, veilig op weg naar Florence : Pane, amore, e fantasia.
Intussen waren de zaken al zover geëvolueerd dat de chauffeur mij de toelating gaf om 's nachts in de bus te slapen, zogenaamd om die te bewaken. En dàt was het nu net wat me in Florence in een benarde positie zou brengen.
 
Bijna gelyncht en bijna failliet
 
Het kon ongeveer vier uur in de morgen geweest zijn, toen ik door een gebons en geschreeuw van alle duivels verschrikt, als een nachtelijke verschijning uit de kussens oprees. Deze maal geen noorderburen maar een troep agressieve Italianen die zo vroeg in de morgen al beeldstormige neigingen vertoonden. Doorheen het zijruitje werd een gesprek gevoerd dat op zijn zachts geanimeerd genoemd kon worden, en waarbij ik uit al het gekwetter kon opmaken dat zij foutief veronderstelden dat ik de chauffeur was en even vanzelfsprekend van mij verlangden dat die bus met mij erbij zou ophoepelen. En inderdaad, de bakken fruit en groenten die zich rond de bus begonnen op te stapelen spraken voor zichzelf. We waren  terechtgekomen op een plaats die binnen enkele uren zou herschapen worden in een zuiderse markt. Hoe meer ik hen poogde te overtuigen van hun smartelijke vergissing, hoe helser het lawaai en hoe intenser het nerveuze gebonk op de carrosserie weergalmde.
Ik trok de gordijntjes dicht, schoot mijn kleren aan, en klom uit de bus. Als een troep wespen omzwermden mij die schreeuwerige 'vinnigaards', terwijl ik; er voor vreesde elk ogenblik gelyncht of verscheurd te worden.
Mijn enige redding was mij naar het hotel te reppen, natuurlijk omringd door dat stelletje opgewonden supporters. Toen eindelijk de ware chauffeur kwam opdagen veranderde de stemming op slag en werd ik zowaar beloond met enkele van die onweerstaanbare Italiaanse lachjes en enkele uitdrukkingen die ik vergeefs zocht in mijn vertaalboekje.
Het beeld van die zuiderse marktdag in Florence zal mij mijn leven lang bijblijven. Ganse families kooplui kwamen met hun volgeladen stootkarretjes, vanuit smalle straatjes met overhangende geveltjes, samengezwermd. Op de markt of langs de voetpaden zochten ze zich elk een plaatsje en begonnen dan hun stalletjes op te bouwen. Die waren uit decoratief oogpunt bekeken echte kunststukjes.
Die gammele gevalletjes, overladen met rijpe vruchten, groenten kleurige sjaals, dassen, schoenen en wat weet ik meer, vormden samen met hun typische verkopers een attractie op zich. En als de mediterrane morgenzon dan aan kracht had bijgewonnen en alles met een diepe gloed overgoot, dan was dat 'wemelende' kleurenfestijn niet meer met woorden te beschrijven maar alleen nog iets om met grote, gulzige ogen naar te kijken. Zonder gewetenswroeging ten opzichte van mijn busgenoten, die zich op dat zelfde ogenblik stierlijk verveelden in een of ander museum, wandelde ik door de straatjes. Door mijn liftersneigingen en de vriendelijkheid van een vriend buseigenaar, had ik heel wat besparingen gedaan. Ik besloot die om te zetten in een cadeau voor Annie (de lezer volslagen onbekend, ik zou het een persoonlijke vaderlandse relatie durven noemen).
Ik waagde me in een straatje van amper enkele meters breed waar de souvenirwinkeltjes welig teerden. Er kwam een stootkar aangereden die ongeveer tien centimeter minder breed was dan het steegje. Men zocht zijn heil waar men kon : op de vensterbanken de jongen-te-been, in een winkel de meer bezadigden.
Ik vond de mijne in een nog smaller straatje, het betekende bijna mijn financiële ondergang.
Giuseppe Marmotta (commerciante di ceramiche) wachtte me met brede glimlach op aan de ingang van zijn heiligdom. Oh nee, de bedoeling was niet dat ik kopen zou, ik moest alleen even rondkijken. Hij zou zich diep beledigd voelen als ik zijn huis voorbij zou gaan zonder van zijn gastvrijheid gebruik te maken. Ik kon niet anders dan dat beseffen en liet me eerst drie trappen naar beneden, tussen wankele stapels potten leiden. Het hele gezin, Giuseppe, zijn vrouw en een aantal dochters kwamen er aan te pas. De jongste dochter deed me bezwijken voor een prachtig muurschaaltje, een andere dochter voor een Romeinse vaas (made in England, merkte ik te laat op) en de oudste dochter... Ik ben zwaarbeladen buiten gekomen. Ik had nu toch iets voor Annie.
Toen ik eindelijk met mijn breekbare last in de bus belandde was het middag geworden. De helse stadsdrukte viel stil als een warmgelopen motor. Het uur van de "siesta" was aangebroken. Dan doet iedere Italiaan die zichzelf respecteert geen klop meer. Ik moet toegeven dat ik me die middag nauw verbonden voelde met de Italiaanse cultuur.

Cristiano, Comunista en Mussolini 

Al wegen leiden naar Rome. Ook die van onze bus. Zo kwam het dat ik enkele dagen later een cola zat te zuigen ergens op het terras van een "osteria" dat hoogstwaarschijnlijk al door Julius Caesar werd bezocht. Alleen, naast me loeide nu een juke box plots mijn romantische mijmeringen aan flarden. Een bende "pappagalli" hokte samen rond het glimmende ding. In het Italiaans is dit de naam voor "teenagers" en die soort maakt dan ook gretig gebruik van het feit dat luidruchtige muziektoestellen in Italië hun plaatsje op het voetpad vinden. Tot mijn grondige ergernis. De bottega (kelner) was zo onvoorzichtig mijn nationaliteit aan die bende te onthullen. De uitwerking liet niet op zich wachten : een ogenblik later waren alle plaatsen aan mijn tafeltje ingenomen. En mijn vertaalboekje kon onmogelijk de woorden en vragenvloed bijhouden. Paolo was een verstokte "Comunista" maar diepte toch uit zijn broekzak een verfrommeld O.L.Vrouw prentje op, om mij er van te overtuigen dat hij wel degelijk een heilig boontje was. Giovanni was een "Cristiano" maar Pietro, de derde man, liep nog hoog op met ene Benito Mussolino, al zal hij die wel niet persoonlijk gekend hebben.
Die voor ons noorderlingen onverenigbare meningen weerhield er hen niet van om vrienden voor 't leven te zijn en samen eindeloos door de stad te slenteren. Ze bekenden dat ze nog wel eens thuis aten en sliepen.
"Bij mij thuis is het een kazerne", zei Paolo, mijn vader is geen vader maar een soort kolonel en mijn moeder geeft zijn bevelen aan ons door. Mijn zuster, vulde Giovanni aan, ligt al jaren overhoop met mijn vader omdat ze wilde verder studeren. En dat vond vader beslist overbodig.
De jonge Italianen aan mijn tafeltje bleken anders ook uit hetzelfde macho hout gesneden : vijf jaar naar school voor een meisje was meer dan voldoende om spaghetti te kunnen klaarmaken.
Hierbij keken ze triomfantelijk in de richting van een meisje dat aan een tafeltje wat verder zat. Dat ik haar nog niet had opgemerkt was onvergefelijk. Italiaanse diva's als Lolobrigida en Sofia Loren moesten het afleggen tegen haar.
 
Een avond met Anitra...in Rome 
 
Tot slot wil ik iets vertellen over die laatste avond in Rome. De terugreis was een opeenvolging van monumenten en musea, op zich héél cultureel, maar het is nu eenmaal mijn bedoeling niet om hier een wetenschappelijk gefundeerde bijdrage te leveren tot de Kunstgeschiedenis.
Over die laatste avond heb ik het dus.
Ik wandelde met Anitra langs klaterende fonteinen en spookachtig verlichte ruïnes. Ze was de zuster van Giovanni en studeerde letteren aan de universiteit. Het was niet alleen een buitengewoon knap maar ook intelligent meisje. Ze moest hard werken om haar studiegeld te verdienen, want van thuis uit kreeg ze geen cent. 's Zomers won ze een mooie duit met buitenlandse toeristen de bezienswaardigheden van de stad te laten zien. In de winter was het werken geblazen in bars en restaurants 's avonds en 's nachts drankjes en pasta's bestellen. Cursus volgen en werken : veel tijd voor ontspanning en avontuurtjes had Anitra niet. Toen we uitgepraat raakten zei ik zo, om iets te zeggen : "Anitra...mooie naam, vind ik."
"Ik niet", zei ze.
"Waarom niet ?"
"Vader heeft me zo herdoopt toen ik aan de universiteit wilde gaan studeren. Ik heet eigenlijk Berta."
"Ach zo...toch blijf ik Anitra mooier vinden. Wat betekend die naam dan wel ?" Anitra bloosde : "Dat moet je maar eens opzoeken in je "dizionario"", zei ze na een tijdje.
Dat heb ik gedaan ook, de volgende morgen. Lang heb ik niet moeten zoeken. De vertaling was : eend.

Midden tussen de blauwe schaduwen van een brokkelige ruïne gingen we zitten. Vóór ons een witgekalkte& muur met wat verkiezingsrommel opgeplakt. Ik nam enkele foto's van haar en ze schreef me haar adres op een papiertje.
"Wat schrijf je daar", vroeg ze toen ze opmerkte dat ik onder haar naam nog iets noteerde.
"Dat ik met jou gewandeld heb", zei ik,"voor mijn artikel in een jongerentijdschrift."
"Maar dat interesseert toch geen mens", zei Anitra.
"Och", zei ik,"met die Italiaanse sterrenhemel en die romantische ruïnes kwestie van onze lezers een beetje jaloers te maken.

Anitra lachte stilletjes en wierp een steentje naar die witgekalkte muur...